Voor onze auto een kettingbotsing.

6 mei 2022. 15.40 uur. Op de A4 bij Hoofddorp, richting Amsterdam.

Voor onze auto een kettingbotsing.
Ik remde.
Op tijd.
Ik dacht: Ik heb ons gered. Toen keek ik in mijn achteruitkijkspiegel en besefte ik dat we geraakt zouden worden. Op volle snelheid.

Ik gaf gas en stuurde naar links. Maar er was geen tijd. De auto reed met 100 kilometer per uur op ons in. Sacha, mijn dochter, zat in haar autostoeltje op de achterbank. Door de impact van de botsing raakte zij fataal gewond. Een dag later overleed ze in het ziekenhuis.

Ik had geen schuld.

De man achter ons ook niet. Niemand deed iets verkeerd.  En toch. Had ik iets anders kunnen doen?
Mijn schuldgevoel was overweldigend. Elke nacht als ik ging slapen, zag ik de auto weer aankomen. Hoorde ik de onmenselijk harde knal. Zag ik de weggerolde ogen van Sacha toen ik bij haar op de achterbank kroop. Hoorde ik haar ademhaling raspen. Pakte ik haar hangende hoofdje. Probeerde ik haar te stabiliseren terwijl ik haar zachtjes geruststelde.
Ik geloofde dat ik maar één taak had als haar moeder: Sacha beschermen.

En ik had gefaald.

Ik had haar niet kunnen redden en nu was ze dood.
De politie vertelde me dat ik uitzonderlijk gehandeld had. Niet vaak zagen ze zo’n reactiesnelheid. Ik had niets kunnen doen. Het was een noodlottig ongeval.
Rationeel besefte ik dit. Drie seconden. Honderd kilometer per uur. Kansloos. Maar het voelde niet zo. Ik had haar moeten redden. Ik ben haar moeder. Ik probeerde mijn schuldgevoel weg te denken. Te verklaren waarom het niet zo was. Het gevoel bleef.

Dit gevoel, samen met het verlies van Sacha, kleurde mijn leven zwart. Niet lichtzwart. Maar het
donkerste zwart dat bestaat. Ik vroeg me af waarom ik nog leefde. We zaten in dezelfde auto.

Waarom kon ik niet met haar mee zijn gegaan?

Hoe meer ik wist dat ik niet schuldig was, hoe minder ik het voelde. Het gewicht van mijn schuld ging steeds zwaarder op mij drukken.

Hoe kon ik doorgaan met leven als ik mijn dochter niet had kunnen redden? Jarenlang las ik allerlei boeken en probeerde ik van alles. Gesprekken met de politie. Het
bekijken van de reconstructie in de politierapporten. Ik heb zelfs de beelden van het ongeluk gezien, gemaakt door de dashcam van een auto die tijdens het ongeval links naast ons reed.
Op die beelden zag ik dat ik alles had gedaan wat ik had kunnen doen. En toch…
Mijn schuldgevoel bleef. Ik nam het mezelf zo ontzettend kwalijk dat ik haar, als haar moeder,
niet had kunnen redden.

Tot het moment dat ik op rouwretraite ging.

Daar schreef ik een brief van Sacha aan mij, met wat ze me nu zou willen zeggen. Met haar liedje op mijn telefoon. Een kaarsje met een S en een foto van ons ernaast, begon ik te schrijven.
En dit is wat ze me zei: “Het was niet jouw taak om mij te redden, mama, maar om van mij te houden. En dat doe je. Voor altijd en een dag.”
Het was als een tandwiel dat ineens op zijn plek schoot. Een complete verandering. Geen weg meer naar daarvoor. Waar ik altijd dacht dat het mijn taak was om haar te redden, besefte ik dat
dit niet altijd kan. Hoe graag ik het ook wilde. Het lag niet in mijn handen. Ik had niets kunnen doen.

Wat ik wel kon doen, heb ik altijd gedaan. Haar omringen met al mijn liefde. In haar leven. In de momenten na het ongeluk. Bij haar sterven. En nu ook na haar dood.
Die liefde geven is mijn taak. Dat deed ik toen. Dat doe ik nu.
En dat zal ik blijven doen. Voor altijd en een dag.

Contact

Stichting Nooit Voorbij

Deel deze blog

Voor onze auto een kettingbotsing.

Scroll naar boven