Ons kindje is niet levensvatbaar (deel 3)

Nadat we de kinderen naar school hebben gebracht rijden we door naar het ziekenhuis. Ik voel me moe. Zo moe. Moe van alle emoties. Moe van de emoties van anderen. Moe van de adrenaline waar ik op heb gelopen, afgelopen dagen.

In het ziekenhuis stappen we uit op de verkeerde verdieping. En dus moet ik, met mijn vermoeide lijf, met een benauwd mondkapje op, de trap op. Eenmaal op de afdeling krijgen we een stoel in de wachtruimte toegewezen. Ik kijk om me heen en had dat liever niet gedaan. Dikke buiken. Blije gezichten. Ook al weet ik dat ieder wel een kruis heeft. Dit kruis is niet te dragen. Dit sleep je mee. Zit aan je vast. En komt niet meer van je los.

We worden binnengeroepen door een vriendelijke gynaecoloog. Ik ken haar wel. Bij één van mijn eerdere opnames had ik haar ook. Een prettige, kundige vrouw. We gaan zitten en beginnen met praten. Als een soort spraakwaterval, waarin Jan Peter en ik elkaar aanvullen, vertellen we alles waar we mee bezig zijn en over nadenken. En dat is veel. Op de adrenaline zijn we in een soort regelmodus geslopen, waardoor we veel dingen wel helder hebben. We kennen de aandoening ook.

Anencefalie

Met een lelijk woord ‘kattenkopje’. Met een moeilijk woord ‘neurale buis defect’. Wat een open ruggetje aan de onderkant van de neurale buis is, is anencefalie aan de bovenkant. De schedel is niet gesloten waardoor de hersenen zijn aangetast en ook niet ontwikkeld zijn. Kinderen met deze aandoening hebben nul procent overlevingskans en er kan niets aan worden gedaan. Kinderen kunnen vaak nauwelijks slikken, niet huilen en voelen ook niets. Sommige kinderen overlijden tijdens de zwangerschap, sommige tijdens de bevalling, anderen kort na de bevalling.

We beseffen het echt. Dit komt echt niet goed. Het belangrijkste is om het goed voor onszelf te doen. En ik voel ook enorm de drang om te kiezen wat ik wil en hoe ik het wil. Zolang het verantwoord voor mijn lijf en geest is. Voor mijn man. Voor mijn gezin.

De gynaecoloog luistert rustig naar ons verhaal. Ze glimlacht als we klaar zijn. ‘Jullie zijn al drie gesprekken verder dan we normaal zijn met ouders die deze boodschap krijgen. Begrijpelijk ook, jullie kennen de aandoening. We willen jullie ondersteunen in wat jullie kiezen. Je kunt de zwangerschap nu afbreken door middel van een pilletje. Je kunt de zwangerschap voor de grens van 24 weken in laten leiden en je kunt de zwangerschap uitdragen. Maar eigenlijk ook alles daartussen in, al is dat meer geregel.’ Deze boodschap telt ons gerust. Dit mag op ons eigen tempo. Op onze manier. Voor nu leven we naar de 24-weken grens toe, daarna zullen we per keer verder kijken. Het uitdragen is ook niet zonder risico. Zeker niet in mijn conditie nu.

Met het lijstje met vragen die we willen vragen zijn we bijna klaar. ‘We willen graag mooie echo’s, ik heb van dinsdag helemaal geen plaatjes meegekregen.’ ‘Dat gaan we doen’, zegt de gynaecoloog. En daar op het scherm zien we ons lieve baby’tje verschijnen. Ik vind het verdrietig, mooi en interessant tegelijk. Hoe kan dit nu?

We maken een afspraak voor rond 16 weken. We mogen altijd bellen als er wat is. En met die boodschap gaan we naar huis.
Na de lunch pak ik de Bijbel. Ik sla hem open bij Jesaja 49. Zo in één keer. We beginnen met lezen. “Al in de schoot van mijn moeder heeft de Heer mij geroepen, nog voor ze mij baarde noemde Hij mijn naam.” We beseffen: dit is nu echt even voor ons. We lezen verder, terwijl we voor de zoveelste keer die dag huilen. Maar ook samen beseffen en voelen hoe dichtbij God in dit verdriet is. In simpele dingen als een Bijbeltekst. Eigenlijk heel Jesaja 49 lijkt op dat moment voor ons. Het troost en versterkt.

Na het eten komt onze predikant langs. We waarderen zijn bezoek enorm. We voelen ons ook verbonden. Ook hij en zijn vrouw weten wat het is een kind te verliezen. En we merken in deze korte tijd met deze boodschap; je spreekt dan dezelfde hartstaal. Er zijn maar weinig woorden nodig. We bidden met elkaar. En de tijd met elkaar is goed. Geen oordeel. Geen geduw in een richting hoe wij het in moeten vullen.

Want ook dat merken we om ons heen. De één vindt dit, de ander vindt dat. ‘Je gaat toch niet… ‘ Je gaat toch wel…’, ‘als ik jullie was…’ Ik word er een beetje nukkig van en samen met mijn man besluiten we nog eens: dit gaan wij precies doen zoals wij het willen. Wat iemand anders vindt, wil of denkt is onbelangrijk. Dit is een pad wat wij samen met God zullen gaan. En daarover heeft niemand anders iets te vinden of te zeggen. En die constatering samen geeft ook weer hernieuwde kracht en rust. Het is goed wat we doen. Hoe we het doen. Wanneer we het doen.

En voor nu moeten we even niets. Samen zijn. Ruimte nemen voor wat we zelf nodig hebben. En daarom hakken we ook de knoop door om in de kerstvakantie even eruit te gaan met z’n vieren. Even niets, behalve wij. Mijn stam. Mijn gezin. Mijn alles. Dat is voor even genoeg.

Contact

Stichting Nooit Voorbij

Deel deze blog

Ons kindje is niet levensvatbaar (deel 3)

Scroll naar boven